In de Dorpskrant Overasselt van december 2019 staat een artikel waarin de sage over de Sleeburg wordt genoemd. Overasselt bestond in de Middeleeuwen uit drie zgn. Heerlijkheden: Schoonenburg, Overasselt en Sleeburg. De Heerlijkheden werden bestuurd vanuit een verstevigd huis, een kasteel of burcht. Van de Heerlijkheid Sleeburg is maar weinig bekend. En de bijbehorende burcht is al vele eeuwen geleden verdwenen. We kennen er nu alleen nog maar een klein eiland van, omgeven door een oude gracht aan (hoe kan het ook anders) de Sleeburchtsestraat. In 1856 schreef Anthony Engbertus van Noothoorn prachtige verhalen in het boek Gelderse Taferelen. Hij werkte onder de schuilnaam “Neefje van Klikspaan”. In een van die verhalen vinden we hem in een huifkar op de Maasdijk op weg van Heumen naar Overasselt. En ja, dan heb je eerst aan je rechterhand het buurtschap Worsum met daar in de buurt de resten van wat eens het trotse Sleeburg was. Het verhaal is van voor tot achteren gelogen. Maar het is doorspekt van toch wel historische gebeurtenissen. Het speelt zich af tijdens de tachtigjarige oorlog, toen ook in Overasselt het protestantisme werd ingevoerd. Maar om te begrijpen hoe het nu zit met die vloek van de Sleeburg, wordt teruggegrepen op een stuk oer-Gelderse geschiedenis: de oorlogen tussen de van Heeckerens en de Bronckhorsten. Die zijn wél echt gebeurd en beginnen met het overlijden van Hertog Reinald de tweede van Gelre in 1343. Rondom diens opvolging ontstond een broedertwist. Afijn: leest u het hieronder…..

De Vloek van de Sleeburg

-Een oude sage-

Met ons paard, Bruintje genaamd, bereikten we nu eens stappend dan weer dravend de hoge Maasdijk. Het lieflijk gelegen dorpje Heumen hadden we achter de rug. Van alle kanten waren we omgeven door mooi en welig tierend kreupelhout. Daartussen vertoonden zich, elk op schilderachtige wijze, de wilg, de beuk, de berk en de eik. Links van ons stroomde de Maas. Het was alleen zo jammer dat die vruchtbaar makende stroom, als hij buiten zijn oevers trad zo’n grote verwoestingen aan kon richten. Rechts lagen in bevallige wanorde, tussen de vele akkers met vette grond, enkele boerenwoningen verspreid. De ijverige boer hield zich bezig met ploegen, zaaien en eggen. Toen ik hen zo bezig zag, dacht ik aan een van die schone verzen van H.K. Poot;

Hoe genoeglijk rolt het leven
Des gerusten landman heen,
Die zijn zalig lot, hoe kleen,
Om geen koningskroon zou geven!
Lage lust braveert den lof
Van het hoogste Koningshof.

Als een boer zijn hijgende ossen
’t Glimpend kouter door de klont
Van zijn erfelijke grond,
In de luwte van de bossen
Voort ziet trekken; of zijn graan
’t Vet der klei met goud belaên;

Of zijn gladde melkkoeien
Even lustig, even blij
Onder ’t grazen, van ter zij,
In een bochtig dal hoort loeien;
Toon mij dan, o arme stad,
Zulk een wellust, zulk een schat.

Welige akkers, groene bomen,
Malse weiden, dartel vee,
Nieuwe boter, zoete meê,
Klare bronnen, koele stromen,
Frisse luchten: overvloed
Maakt het buitenleven zoet.

Appels enten, peren plukken,
Maaien hooien, schuur en tas,
Stapelen vol veldgewas.
Schapen scheren, uiers drukken,
Zeven kinderen en een wijf,
Zijn zijn daaglijks tijdverdrijf.

Vork en riek, schop en spade,
Zetten zijne lusten pal,
’t Zij de welgemeste stal.
’t Zij de boomgaard hem verzaden,
’t Zij de kruidenmand ten loon,
Op zijn lage tafel koom’.

Als de lente ’t land beschildert,
Als de zomer zweet en gloeit,
Ploegt en spit hij onvermoeid;
Als de winter ’t woud verwildert,
Houdt hij de berookte haard,
Met zijn vrienden rond van aard.

Op dat moment bevonden we ons in het dorp Overasselt, niet ver van de kerk.

Afb. 1 in 1732 tekende Cornelis Pronk de oude kerk van Overasselt

‘Kijk eens daarginds naar die eenvoudige boerenwoning’ zei ik tot mijn reisgenoten. ‘Wie zou nog vermoeden dat daar in vroeger eeuwen een sterk kasteel stond, omgeven met een diepe gracht. Het werd de Sleeburg genoemd. Als de paar bouwvallen, die nog aanwezig zijn, spreken konden, zouden ze jullie vertellen over een geschiedenis van een Gelderse Jonkvrouwe, die al zonderlinge lotgevallen achter de rug had’. ‘Maar oom, kun je ons die geschiedenis eens vertellen’ vroeg Koosje nieuwsgierig.

‘Ik kan jullie vertellen’ zei ik ‘wat ik in een oude kroniek heb gelezen. Het volk dat hier woont weet er ook nog wel van, maar dat zijn dan niet meer dan een paar verwarde herinneringen. Geloof er overigens maar net zoveel van als je wil, een volksvertelling moet je niet helemaal uitpluizen en van haar ‘romantiek’ beroven. Op de dijk van hier naar Grave is toch weinig te zien, dat geeft me de gelegenheid om de volksvertelling van Sleeburg aan je mee te delen. Luister maar eens ‘.

De vloek van de Sleeburg

Het was een donkere novembernacht. Achter de vensters van het slot Sleeburg zakte de avondschemer al lager en lager op het eikenbos. In het zwart behangen treurvertrek zat de Slotvrouwe in een brede vensterbank, zij hield zich bezig met huiselijk werk. Bij het invallen van de schemering hield het zachte ruisen van de werkzaamheden op. De Vrouwe wierp een doek over haar borduurraam. Op dat raam verwerkte zij een kostbare sprei. Deze sprei moest, als het voltooid was, op het graf van haar overleden echtgenoot worden uitgespreid.

Afb. 2 het wapen van het geslacht Honnepel

Op het dekkleed was het wapen van het geslacht Honnepel te zien.

Zij had het wapen omgedraaid, verbroken en met zinnebeelden van de dood voorzien, want…..de overleden baron was de laatste van zijn stam geweest. Haar nichtje Margaretha, die enigszins van het venster verwijderd zat, zette haar spinnenwiel opzij. De stilte en de duisternis die hen omringden lokten hen uit tot somber gepeins dat sinds de dood van de heer des huizes, al zoveel eenzame uren gevuld had.

Het waren barre tijden voor zowel Nederland als Gelderland, toen de Baron van Honnepel stierf. De oorlog tegen Spanje was op zijn hevigst; godsdienstijver verscheurde de teerste banden. Broeder stond tegenover broeder en een vader tegenover zijn kind. In de algehele verwarring en ketterij leek niets vasts en duurzaams te bestaan waaraan een menselijke geest zich kon vasthaken of waar hij hoop of geloof uit kon putten. Het geslacht Honnepel was midden in de onlusten van die tijd verwikkeld geraakt. De meeste leden waren het nieuwe geloof der protestanten met hart en ziel toegedaan. Zij stonden daar volledig achter. Maar de strijd was nog lang niet gestreden toen de baron, kinderloos, in de armen van zijn vrouw stierf.

Afb. 3

Afb. 3 Maarten Luther die in 1517 zich kritisch uitliet over het katholicisme. In de Lage Landen leidde dat tot “de Opstand” tegen het overheersende katholieke Spanje: beter bekend als de tachtigjarige oorlog.

De droevige weduwe zat daar die avond over te denken. Zij was achtergebleven in een oord waar de meerderheid van de bewoners haar, om het verschil van het geloof, vijandig gezind waren. In de omgeving van Slot Sleeburg was men overwegend katholiek gebleven. De oorlog werd al feller en feller en het kon zómaar naar haar worden overgebracht.

Het nichtje Margaretha was óók treurig, maar dat had weer andere oorzaken. Ook zij had door de oorlog veel geleden. Tante treurde over het verlies van haar man en zag de toekomst somber in, maar Margaretha betreurde haar eigen volstrekte verlatenheid. Haar vader en haar twee broers waren gesneuveld. Zij waren voorvechters van het oude geloof en van de Spaanse koning geweest. Dit onherstelbare verlies zorgde ervoor dat ook haar moeder stierf, zodat Margaretha op 18-jarige leeftijd alleen op de wereld achterbleef. Ze had maar één toevlucht geweten; haar tante op slot Sleeburg. Ver van eigen huis en haard.

Afb. 4 de tachtigjarige oorlog kwam in onze streek tot zijn hoogtepunt tijdens de slag op de Mookerheide: 14 april 1574

Ofschoon de tante van het nieuwe hervormde geloof was, ontfermde zij zich met liefde over het achtergebleven weesmeisje. Op haar doodsbed had de moeder van Margaretha haar dochter aanbevolen bij haar zuster. Haar zuster, zelf kinderloos, en eenzaam levend met haar ziekelijke echtgenoot, had zonder aarzelen het hulpeloze meisje als haar eigen dochter aangenomen.

Zo kwam Margaretha op dit kasteel, maar al bij aankomst bemerkte zij dat zij ook hier niet op vrolijke dagen hoefde te rekenen. Door een somber bos naderde zij op een regenachtige herfstdag het bouwvallige Slot. Zij zag de hoge, donkere, hier en daar vervallen muren. Het waren overblijfselen uit een betere tijd. Het geheel was omringd door een gracht met drabbig stinkend water.

Afb. 5 een zeldzame tekening van kasteel Sleeburg

De poort ging krakend en knarsend open en over een vermolmde ophaalbrug kwam het meisje in een grote ommuurde tuin. Het sombere voorkomen van de tuin werd nog versterkt door ontbladerde notenbomen waar de wind door gierde. Ook de bewoners waren droefgeestig. Er heerste een treurige orde die niet door gezellige momenten werd afgewisseld. De baron en zijn vrouw kregen weinig bezoek. Zelf verlieten zij soms, maar dan alleen uit dringende noodzaak, hun klein gebied. In de omgeving waren geruchten en verhalen in omloop over gevaarlijke en bovennatuurlijke wezens die af en toe op het kasteel te zien waren, ook daarom schuwde men de bewoners. Doch dat alles was het niet alleen wat haar zo treurig stemde. Er knaagde nóg een weemoedige herinnering uit haar verleden aan het hart van nicht Margaretha.

Door de oorlog logeerde er, indertijd, een troep Spanjaarden op haar moeders’ afgelegen kasteel. Overste Rodrigo Valesco voerde hen aan en onder zijn officieren bevond zich een hopman die men voor de zoon van de overste hield. De jonge man was niet alleen edel van gestalte maar ook edel van gedrag daar hij veel zorg besteedde aan de beteugeling van de overmoed van de Spaanse soldaten. Hij verwierf daardoor veel achting bij haar. Ook maakte hij diepe indruk op haar hart door de droefgeestige ernst waarmee hij de luidruchtige uitspattingen van zijn mede-officieren ontweek. Margaretha merkte spoedig dat zij door de jonge Spanjaard meer dan belangstellend werd gadegeslagen. Zij kwam hem met vriendelijke achting en met gulle oprechtheid tegemoet. Spoedig was er een vriendschappelijk vertrouwen tussen hen gegroeid en eens, tijdens een gesprek, zei hij; ‘je noemt mij altijd Valesco, maar dat is mijn naam niet. De overste is slechts mijn peetvader. Ik ben de zoon van een boer en mijn naam is Antonio Murillo’.

Afb. 6 zouden dit Antonio Murillo en Margaretha van Honnepel kunnen zijn geweest?

En hij vertelde haar met onopgesmukte nederigheid het volgende; hij stamde af van landlieden die al meer dan twee eeuwen op de landgoederen van het geslacht Valesco woonden. Zij hadden zich toen al tijden door onbegrensde trouw weten te onderscheiden. Zijn ouders waren kort na elkaar gestorven en overste Don Rodrigo Valesco had de ouderloze jonge knaap bij zich genomen. Daar hij zelf geen kinderen had, voedde hij hem op als ware het zijn eigen zoon. Toen de koning van Spanje een leger naar de Nederlanden zond, was Valesco een van de aanvoerders en zijn pleegzoon vergezelde hem als hopman.

De vriendschappelijke omgang tussen Margaretha en Antonio veranderde al snel in een hartstochtelijke liefde. Maar toen kwam het moment van scheiden……Er was slechts een flauwe hoop aanwezig om elkaar ooit weer te zien, want er ging in die tijd geen dag voorbij zonder een bloedig gevecht. Gekweld door sombere voorgevoelens beloofde Antonio aan de beminnende jonkvrouw dat hij na zijn dood die hij een dezer dagen verwachtte, aan haar zou verschijnen om haar van zijn onwankelbare liefde te verzekeren.

Nu, op deze avond op Slot Sleeburg, toen Margaretha in droevig gepeins was verzonken, zweefde het denken aan haar ouders en broers, de hele omvang van haar treurige toestand en het beeld van haar geliefde Antonio- van wie het maar de vraag was of ze hem terug zou zien- haar voor de geest. Intussen was de laatste schemering vertrokken en de avond was ongemerkt ingevallen, toen een slag, een vervaarlijk gerammel en ook wapengekletter beide vrouwen zeer deed schrikken. ‘Wat is dat’ riep de Vrouwe van Sleeburg hevig ontsteld. ‘Iets in de voorzaal’ zei Margaretha rustig ‘daar moet iets gevallen zijn’. ‘Is het vandaag niet de naamdag van St. Thomas?’ vroeg de weduwe fluisterend. ‘Dat geloof ik wel, want het is 21 december’ zei de nicht, ‘waarom vraag je dat tante? ‘

Afb. 7 de ongelovige Thomas. Op 21 december, de kortste dag, wordt zijn nagedachtenis gevierd.

‘Laten we gaan zien wat het is’ zei de Vrouwe van Sleeburg toen ze van de schrik bekomen was. Zij schelde; vrouwelijke bedienden kwamen binnen met brandende kaarsen en men ging naar de voorzaal. Daar lag de wapenuitrusting van ridder Otto van Honnepel, die de familie als hun stamvader zag, vanaf een verhoging, waarop men het als een zegeteken geplaatst had, neergestort. Het zwaard was gebroken en het schild met het familiewapen was in tweeën gespleten. Bevend hield de weduwe de stukken in haar handen. ‘Ook dat nog’ zei ze weemoedig ‘en alweer op die dag, wanneer komt die onzalige geest nu eens tot rust? Ons hele geslacht is nu toch uitgestorven?’ Toen de Vrouwe van Sleeburg deze woorden op geheimzinnige wijze uitsprak, sloten allen zich angstig om haar heen. Zij hoopten nog meer te horen; maar ze gaf gewoon het bevel om de overblijfselen zorgvuldig op een tafel te leggen en keerde toen naar haar kamer terug.

Toen tante en Margaretha alleen waren, durfde Margaretha te vragen; ‘vergeef me tante als ik u in uw overpeinzingen stoor, maar ik wil zo graag opheldering hebben over wat ik gezien en gehoord heb’. De weduwe vroeg bestraffend; ‘vraag je dit uit nieuwsgierigheid of uit belangstelling?’ De Jonkvrouwe gaf aan dat zij het vroeg uit belangstelling voor het Huis dat nu toch ook háár Huis was geworden. “Ik zal aan jouw verzoek voldoen’ zei de weduwe, ‘hoewel het niet aangenaam en misschien ook niet voorzichtig is om over deze zaken te praten, op het uur waarin zij, die de eeuwige slaap slapen, terug schijnen te keren’.

‘Het Huis Honnepel’ zo ging de weduwe na enkele ogenblikken te hebben gezwegen voort, ‘was al eeuwen in Gelre gelukkig en beroemd. Toen kwam het jaar 1343, het jaar waarin de burgeroorlogen van de van Heeckerens en de Bronckhorsten vreselijke wandaden veroorzaakten. Niet minder erg dan wat er nu, tijdens de 80- jarige oorlog, gebeurt in Gelderland. In die tijd, nu meer dan twee eeuwen geleden, leefden er twee broers Gerard en Otto van Honnepel. Gerard de oudste en de erfgenaam van de meeste goederen bewoonde met zijn vrouw het slot. Otto de jongste zoon, vrijwel zonder bezittingen, begaf zich naar het Hof van de Hertog. Hij hoopte door dapperheid datgene te krijgen wat zijn broer als eerstgeborene zomaar ten deel was gevallen. Intussen begon de burgeroorlog waarvan ik al sprak. Otto was de partij van de van Heeckerens toegedaan, terwijl zijn broer Gerard het zwaard voerde voor de Bronckhorsten. Aan een verzoening viel niet te denken. Ook niet bij beide broers. Met name bij Otto zat een geheime wrok tegen Gerard, daar deze de erfgenaam van de bezittingen en de titels van hun beider vader was.

Afb. 8 de familiewapens van de geslachten van Heeckeren en Bronckhorst

Gerard had het bevel van zijn Heer gevolgd en hij had zich met zijn vazallen naar het veld begeven. Mijn man zaliger las in de kronieken dat hij altijd moedig de strijd invloog, verlangend naar een gevecht. Maar deze keer was hij ernstig. Hij had een onheilspellend voorgevoel, want hij vreesde zijn broer, die hij liefhad maar die hem haatte, op het slagveld te ontmoeten. Zijn jonge liefhebbende vrouw hielp hem zijn wapenuitrusting te omgespen. Ze legde bij het afscheid hun tweejarig zoontje, in zijn armen. Zij vroeg om de vaderlijke zegen voor dit aanbeden kind. Op korte afstand van het Slot kwam het tot een treffen. Aan beide zijden bespeurde men woede en verbittering. Zo gaat dat immers meestal in burgeroorlogen. Het Slot werd in brand gestoken en allen die zich daarin bevonden, kwamen door vlammen of door het zwaard van de van Heeckerens om. Gerard zelf sneuvelde, men zegt wel dat zijn lijk nooit meer gevonden is, maar zijn broer Otto bezat zijn zwaard en zijn helmsieraad als oorlogsbuit.

Korte tijd na de slag was er het gerucht dat Murillo, een Spanjaard, een getrouwe vazal van Gerard, zijn tweejarig zoontje gered had en met hem was gevlucht. Weinigen geloofden dit echter en Otto van Honnepel nam bezit van de nalatenschap van zijn broer. Hij bouwde het Slot Sleeburg weer vanaf de puinhopen op maar het leek alsof er vanaf die tijd een vijandige geest in het geslacht kwam. Het leven van Otto was noch vrolijk noch gelukkig. Een inwendige onrust leek hem als een spook te vervolgen. Lange tijd kreeg hij geen kinderen en toen de eerste uiteindelijk kwam, stierf de moeder. Twee eeuwen lang was er nooit meer dan een stamhouder tegelijk totdat, nu met mijn man, het hele geslacht uitstierf. En al die tijd ontbrak het in ons huis aan vrede, aan rustig genot van de geërfde bezittingen, die van geslacht tot geslacht vermeerderden. Onenigheden, familieruzies, ongelukkige en meestal kinderloze huwelijken waren het rampzalige deel van ons ongelukkige tehuis. De geheimzinnige gebeurtenissen die ieder jaar op dezelfde dag terugkeren schijnen dan ook op een niet voldane belofte te wijzen’.

‘Maar tante, wat zijn die gebeurtenissen dan?’ vroeg Margaretha. De weduwe antwoordde ‘Er zijn nu 23 jaren voorbijgegaan sinds ik op dit slot woon en geen enkele St. Thomasavond is sindsdien geëindigd zonder dat een vreselijk teken ons op die dag kenbaar maakt dat hier op het Slot of in de onmiddellijke nabijheid ervan gruwelijke dingen zijn gebeurd. Het geheim ervan sluimert in de bemoste graven. Soms hoort men een diep weemoedig klagen in een van de zalen van het kasteel. Soms verlichtte een laaiend vuurschijnsel de gehele omgeving zó alsof het gehele slot in brand stond. Iedereen vloog dan naar het venster en vaak hoorde men dan vanuit het bos gerochel en gekerm alsof er gewonden en stervenden lagen’.

‘Heilige Maagd’ schreeuwde Margaretha en sprong, evenals haar tante, op van haar stoel. Zij hoorden een scherpe toon die de lucht deed trillen. Toen de eerste angst voorbij was, stonden de twee vrouwen op om te zien wat de oorzaak van dat vreemde geluid zou zijn. Margaretha zag dat de snaren van haar luit allen gelijktijdig gesprongen waren.

Afb. 9 16de-eeuwse luitspeelster

Op die luit had de jongen Antonio Murillo dikwijls gespeeld en hij had kort voor zijn vertrek de snaren nog gespannen. Een somber vermoeden brak bij haar door. Zijn belofte viel haar in en haar hart raakte beklemd van angst. ‘Ik weet niet wat ik van dit alles moet denken’ zei de weduwe droevig. Mijn godsdienst verbiedt me om aan toverij te denken. Ze schudde haar grijze hoofd, ‘het is zonderling, zéér zonderling’. Eenmaal op haar slaapkamer aangekomen, gaf de Jonkvrouwe haar droevige gedachten de vrije loop. Lange tijd sluimerde zij, maar eindelijk- afgemat en moe- kwam ze in een diepe slaap terecht.

Toen zag ze – in een droom – in die gruwelijke nacht toen het Slot in brand stond, hoe soldaten er vanuit alle richtingen op afkwamen en met elkaar op de vlakte streden. Een ridder met het wapen van huis Honnepel op zijn schild reed met grimmige gebaren af en aan alsof hij iets zocht waarop hij zijn woede kon koelen. Eindelijk zag hij iemand die eenzelfde soort schild op zijn arm droeg. Díe ridder was de man die hij zocht. Woedend viel hij erop aan. De ander riep herhaaldelijk ‘broeder, broeder’. Maar de aanvallende ridder rook bloed, hij stiet de ander het zwaard in zijn borst zodat hij stervend van zijn paard viel terwijl hij riep; ‘och broeder wat heb je gedaan? ‘

Op dat moment verlichtte het brandende kasteel de omgeving. Toen veranderde het beeld van haar droom, zij stond nu alleen bij de verslagen ridder die, onder het bloed, zonder schild of helm op de grond lag. Vol schrik herkende zij in hem haar grote liefde Antonio. Zij ontwaakte met een luide gil. Haar eerste gedachte gold de jonge krijgsman en zijn gelofte om zich na haar dood aan haar te vertonen. De gesprongen snaren schoten haar te binnen. In deze droom had zij hem gezien; zó levend, zó onmiskenbaar, maar óók stervend aan een diepe wond in zijn borst. Oh, er was geen twijfel aan. Hij was gestorven en hij had zijn belofte gehouden. De andere beelden die door haar droom hadden gespookt waren uitvloeisels van het verhaal van haar tante.

Afb. 10 de Gelders Broederstrijd verbeeld bij de Ruïne van Huize Nijenbeek

Margaretha’s voorgevoelens werden, voor haar, snel zekerheid, toen een paar dagen later het bericht kwam dat er een gevecht geweest was waarbij de Spaanse troepen waarover Valesco het bevel voerde een bloedige nederlaag hadden geleden. Het gerucht ging dat Rodrigo zelf daarbij gesneuveld was, en daarnaast ook zijn zoon die hem tot het laatst toe verdedigd had. Stil en treurig kropen de dagen nu voor de Jonkvrouw voort. Haar tante, de treurige weduwe, leefde naast haar, doch ook zij kon het gemoed van Margaretha niet opbeuren.

Haar droom en de vertellingen van haar tante waren de geliefkoosde gedachten waar zij zich steeds aan over gaf. In haar geest verwarde zij Gerard Honnepel, waarvan zij het ongelukkige lot uit het verhaal van haar tante gehoord had, met haar verloren vriend Antonio. Het schonk haar nog wat verstrooiing als zij de Vrouwe van de Sleeburg over kon halen om iets over de stamheer van Het Huis te vertellen.

Zo zaten zij weer eens aan het venster met hun borduurwerk en ze spraken weer eens over het gevecht dat de Sleeburg in de as had gelegd en waarbij het geslacht van Gerard uitstierf. Margaretha vertelde haar tante over de wonderlijke droom die haar in de nacht van St. Thomas zo bezig had gehouden. Ze schetste het beeld van de vermoorde ridder tot in de kleinste bijzonderheden en was helemaal niet verbaasd toen zij, terwijl zij aan Antonio dacht, haar tante hoorde zeggen; ‘ach, dat is de ongelukkige Gerard. Oh, hij is zeker door zijn broer vermoord en de vloek die sindsdien op ons huis rust, is de wraak van de onverzoenlijke haat, een bloedschuld’. ‘En waarom, lieve tante, gelooft u dat de ridder, die ik in mijn droom op de grond zag liggen, werkelijk Gerard van Honnepel zou zijn geweest?’ zei Margaretha. ‘Omdat jouw beschrijving precies klopte met het beeld dat zich in de oude kapel bevindt. Die kapel werd bij de brand gespaard. Vervolgens is zij geheel bouwvallig geworden’. Meteen smeekte Margaretha; ‘ach tante, mag ik dat beeld eens zien? ‘Maar de Vrouwe van Sleeburg weigerde onomwonden. Te veel mensen hadden er al over gekletst. Het dierbaarst wat over was van haar geslacht was van háár! Maar Margaretha’s nieuwsgierigheid was gewekt en liet zich niet gemakkelijk afschrikken.

Tussen de lieden die in het slot woonden, leefde ook een oude knecht, die onder de naam van slotwachter, opzichter was van het gehele gebouw; van alle kleine herstelwerkzaamheden die het bouwvallige kasteel vaak nodig had. De oude Gilbert had alle sleutels en kon ieder vertrek binnen gaan. Door de vriendelijkheid van Margaretha was de oude man genegen om haar de oude kapel te laten zien. De beste tijd daarvoor was de tijd dat Tante voor enkele zaken naar Nijmegen zou gaan. Nauwelijks was de Vrouwe, door een sterke begeleider vergezeld, in haar wagen vertrokken, of daar kwam Gilbert al aan en hij vroeg Margaretha om hem te volgen. Hij leidde haar door een donkere gang naar het verste en geheel vervallen gedeelte van het slot tot bij een kunstig verborgen deur. Hij nam de roestigste sleutel uit zijn sleutelring, stak hem in het slot, daarna zwaaide de deur knarsetandend open. Een muffe ijskoude lucht kwam hen tegemoet. Gilbert ging voorop en stootte een valluik open zodat er een flauw lichtschijnsel in het gewelfde vertrek doordrong. Margaretha bemerkte dat zij in een Roomse kapel stond. Dat bewijs werd haar geleverd door een altaar, een verscheurd kleed, een gebroken bidstoel. Margaretha keerde zich om, tegen de muur, tegenover het altaar was een muurbeeltenis van een geknielde ridder in volle wapenuitrusting te zien. Daarnaast zat een eveneens geknielde vrouw. Tussen hen lag, op de grond, een klein kind. De ridder en de vrouw schenen elkaar de hand te geven, terwijl boven hen de Heilige Maagd zweefde. Stof en vuil maakten de gelaatstrekken onzichtbaar, maar toen Gilbert het zuiverde en er vervolgens het licht bij hield herkende Margaretha met uiterste verbazing in de trekken van de geknielde ridder haar Antonio en ook die van de ridder die zij in haar droom gezien had. Zij merkte ook dat de beelden- niet zoals zij eerst gedacht had- elkaar een hand gaven, maar dat ze over het kind heen een gebroken ring vasthielden.

Afb. 11: De gebroken ring

Op de linkerkant van de ring zag zij het Honnepelse wapen met enkele half uitgesleten letters. Zij raadde meer dan zij las; Heer Gerard Honnepel en zijn echtgenote Clara. Lang keek Margaretha naar het schilderij, ondertussen vertelde de oude Gilbert een sprookje over deze ring. Hij vertelde hoe zij deze ring gedeeld hadden en hoe zij zelf hun kind en het geluk van hun Huis verbonden hadden aan deze ring. Maanden verliepen er en op zekere morgen bracht Gilbert de Slotvrouwe het bericht dat een van de oude pilaren door de sneeuw was ingestort. Men zou zo spoedig mogelijk het puin moeten ruimen en met de herstelwerkzaamheden moeten beginnen, om niet nog grotere schade te krijgen. Toen men het puin had weggeruimd en de fundamenten wilde onderzoeken, vond men op de harde grond een geraamte, de armen uitgestrekt alsof het gekruisigd was.

Afb. 12 het aangetroffen skelet

De beide vrouwen die toevallig net de arbeid van de werklieden gadesloegen, huiverden en trokken zich terug. De weduwe gaf het bevel opnieuw aarde over het skelet te storten, maar Margaretha nam haar terzijde. ‘Wie weet’ beste tante, zei ze smekend ‘of het niet een geraamte is van een volkomen onschuldig vermoorde man. Moeten we hem geen rechtmatige begrafenis geven, misschien vindt het Slot dan ook weer rust’.

De Slotvrouwe was de hervormde leer toegedaan maar zij stond toch ook nog onder invloed van het bijgeloof uit die tijd. Zij zelf wilde zich niet met de zaak bemoeien maar ze gaf Margaretha de vrijheid om een priester te ontbieden om de begrafenis te regelen. De toebereidselen werden snel getroffen. Margaretha, bij wie een levendige deelneming groeide, was bij alle werkzaamheden aanwezig. Het geraamte werd uit de aarde genomen waar zij bij stond. Toen men, tijdens het zingen van een godsdienstig lied het geraamte op nam, zag men iets blinken. Margaretha raapte het op; het was een   gebroken gouden ring aan een stukje ketting, halfvergaan door de tijd. Verbaasd over de zonderlinge gang van zaken, dacht zij onmiddellijk weer aan de beeltenis in de kapel. Voor haar was er nu geen twijfel meer; de gevonden beenderen die hier in een rustplaats zouden verdwijnen, waren van de ongelukkige Gerard van Honnepel. Natuurlijk, ze wist het nog niet zeker, ze wilde het eerst goed over denken voordat zij haar vermoedens met haar tante wilde delen.

Afb. 13 oude prent van de Walrickruïne. Zou dit de boskapel uit dit verhaal kunnen zijn?

Nadat de lijkdienst was verricht had de Jonkvrouwe zich, moe als zij was, vroeg te slapen gelegd. Zij werd echter plotseling wakker toen de klok twaalf uur sloeg. Zij kwam overeind en zag het geraamte, dat zij zo trouw begraven had, de kamer binnenkomen en haar bed naderen. Zij sloeg een kruis maar toen hoorde zij een stem die zacht en weemoedig zei: ‘vrees niet, ik kom u dankzeggen. U heeft mijn stoffelijk omhulsel een geheiligde rustplaats gegeven. Daarvoor wil ik u nu een blijk van dankbaarheid geven. Kom naar de boskapel, daar wacht ik op u’.

Nadat zij deze woorden gehoord had, leek het alsof de gestalte verdween. Ze kleedde zich snel aan en verliet moedig haar kamer. Op de trap ontmoette zij Gilbert de oude slotwachter ‘Waar ga je heen zo diep in de nacht?’ vroeg hij. Margaretha vertelde hem wat ze gezien en gehoord had. Gilbert antwoordde dat zij daar niet alleen naar toe moest gaan. Hij nam een lantaarn en begeleidde haar. Zij snelden over een moeilijk begaanbaar pad door het bos. Eindelijk kwamen ze op de juiste plek aan. Daar stond een klein verlaten kerkje; de deur was open, ze gingen naar binnen en…..Gerard van Honnepel, niet langer als geraamte, maar als prachtige mannelijke schoonheid, met een volkomen gelijkenis van haar geliefde Antonio trad haar tegemoet. Hij bracht haar naar het midden van de kerk. ‘Hier‘ zei hij en wees op een rood marmeren grafsteen waarop een monnik in biddende houding gebeiteld was. ‘Dit moet u openen en met datgene wat u daarin vindt, zal de rust in mijn geest wederkeren, zal deze plaats vrede krijgen en zal aan u het loon van uw goedheid worden gegeven’. Toen verdween de gedaante

Margaretha werd wakker uit haar droom. Zij richtte zich op, het was stil rondom haar bed. De maan scheen door haar raam, maar tot haar schrik bemerkte zij dat haar kamerdeur openstond, terwijl zij die ’s avonds toch goed had dichtgedaan. Zij hoorde torenklok nu één uur slaan; hoe had ze het nu? Had ze gedroomd? Ze verkeerde in een opgewonden stemming. Het hield haar nog uren wakker. Tegen de ochtend sliep zij in. Even later ontwaakte zij zeer vrolijk en in een opperbeste stemming. Ze kreeg meteen die droom weer voor haar geest. Oh, dat kerkje dat ze gedroomd had, wilde zij nu zo snel mogelijk gaan bezoeken. Want, na alles wat ze gedroomd had, was het voor haar duidelijk dat het werkelijk zou bestaan. Ze kleedde zich snel aan en toen zij op het voorplein kwam, stond daar Gilbert. Hij vroeg haar hoe het kwam dat zij al zo vroeg op was. Het meisje antwoordde ‘ik ga een grote wandeling maken naar de woudkapel’. ‘Ik ken hier geen woudkapel Jonkvrouwe’ zei Gilbert verbaasd. Margaretha gaf aan dat het oostwaarts ter hoogte van het Vossenhol zou moeten liggen. ‘Oh, je meent die oude muren, die ken ik wel, daar moet ooit een kapel gestaan hebben, maar daar liggen nu nog enkel brokstukken’ zei Gilbert. Ze vermoedde dat ze op het spoor van een gewichtig geheim kwam. Ze nam het voorstel van Gilbert om haar te vergezellen aan.

De weg die zij liepen, liep net als in haar droom langs dezelfde groep bomen, over hetzelfde moeilijk begaanbare pad. Eindelijk kwamen ze op een open plek waar hier en daar met mos begroeide steenblokken lagen. Margaretha ging in het midden van de ruïne staan en zag steeds nauwkeuriger dat ze in de overblijfselen van de kapel van haar droom van de afgelopen nacht stond. Terwijl ze de grond enigszins van bladeren en mos ontdeed, zag zij de rood marmeren grafsteen tevoorschijn komen.

Afb. 14 een rood marmeren grafsteen uit de 14de eeuw

Nu bestond er bij de Jonkvrouwe geen twijfel meer; zij werd als middel gebruikt om het vreselijke geheim te ontsluieren. Zij wilde naar het Slot terugkeren en daar dan dringend aan haar tante vragen om bij de boskapel opgravingen te laten doen. Maar toen zij bij het kasteel kwam vond zij daar alles in rep en roer. Tante was in diepe verslagenheid. Waarom?

Een Spaanse legerafdeling stond bij Grave en zij zouden via Neder Asselt naar hier komen. Kwartiermakers hadden het Slot bericht dat de bevelhebber met zijn officieren het Slot Sleeburg wilde betrekken, zodat zij een paar dagen van hun lange mars konden uitrusten. Spoedig hoorde men het geschal van trompetten. Een groep officieren naderde, in schitterende wapenuitrusting, de ophaalbrug van het Slot. De weduwe had haar nicht het bevel gegeven om de Spaanse leiders, namens haar, te ontvangen. Een van de officieren snelde voor de rest uit en stond ineens voor Margaretha. Zij gaf een gil van vreugde en schrik en gleed toen in de armen van de zo lang reeds betreurde Antonio.

Afb. 15 het beleg van Grave door de Spanjaarden in 1586

Op dat moment kon er nog geen opheldering gegeven worden, de andere Spanjaarden kwamen aan en er was veel in orde te brengen. De troepen waren nogal onverwachts gekomen. Pas de volgende dag vond Antonio Murillo de gelegenheid om aan zijn lief te vertellen hoe hij, in het haar bekende gevecht, zo zwaargewond was geraakt, terwijl hij zijn pleegvader met de moed der wanhoop verdedigde. Hij en zijn overste Rodrigo Valesco waren een paar uur na het gevecht gevonden, te midden van een stapel stervenden en lijken, door een cornet van de Staatsgezinden. De jongen had ontdekt dat ze nog ademden en met grote menslievendheid, de Nederlanders eigen, had hij de mannen, die hij een paar uren daarvoor nog bevocht, naar een boerenhoeve laten brengen. Hij had voor hen zorggedragen alsof het zijn broers waren. Later waren zij tegen Staatsgezinde gevangenen uitgewisseld en nu bracht de loop van de oorlog hen voor de tweede keer op het Slot.

Terwijl Antonio dit vertelde was zijn oog onafgebroken op een wapenschild boven de zaalingang gevestigd. ‘Is dit het wapen van het Huis?’ vroeg hij ontroerd. ‘Dit wás het Honnepelse wapen’ antwoordde de Vrouwe van Sleeburg met een diepe zucht. ‘Raar, raar, een zeldzaam toeval’ mompelde Antonio. Hij zocht even onder zijn kleding en haalde een doosje tevoorschijn met een zeer oud zegel.

Afb. 16 een zegel, misschien van het geslacht Honnepel

‘Hier’ zei hij en hij vergeleek de zegel met het schild, ‘hier is ook een wapen van Honnepel. Het komt allemaal overeen’. In Margaretha’s ogen lag een onuitsprekelijke glans van zegen. Ze zweeg echter. Overste Valesco was inmiddels in de zaal gekomen en bekeek met de vrouwen het zegel en het schild. ‘Hoe kom jij aan dat zegel?’ zei de oude krijgsman. ‘Het is een erfstuk van mijn voorouders’ zei de jonge man. ‘Een kleinood dat zij als een onwaardeerbare schat al langer dan twee eeuwen bewaarden. Het ging van vader op oudste zoon over, waarbij men hen liet zweren het kostbare zegel nooit, onder welke omstandigheid dan ook, af te staan’. ‘Mijn God’ stamelde de Slotvrouwe ‘hoe bekend komt me het gezicht van die jongeman voor, nu ik hem beter bekijk’. Margaretha stond op hete kolen!

‘Uw voorouders, de Murillo’s woonden al sinds lange tijd op de landgoederen van mijn volk’ zei Antonio Valesco terwijl hij het schild en zegel nog eens nauwkeurig bekeek. ‘Ik meen ook te weten dat zij geen Spanjaarden van geboorte waren; jouw blonde haar en jouw blauwe ogen getuigen daar ook van’. ‘Zo is het’ zei Antonio, ‘mijn voorouders waren geen Spanjaarden. De eerste van mijn geslacht werd twee eeuwen geleden vanuit dit land naar Spanje gebracht. Met een zekere trots heeft men in de overlevering steeds aangegeven dat hij de zoon van een edelman was. Een knaapje dat door de trouwe knecht Murillo genaamd, een geboren Spanjaard, naar zijn vaderland was meegenomen, waarna het kind de naam van zijn redder kreeg’. ‘Wonderlijk’ zei Valesco, ‘maar Antonio heb je dan alleen maar dit zegel dat meer licht op jouw afkomst kan verspreiden? ‘De jongeman ging enigszins opzij om vervolgens nog iets onder zijn kleding uit te halen. Nu vertoonde hij een halve ring en gaf daarbij aan dat dit een erfstuk van zijn voorouders was. Margaretha greep zijn hand en zei; ‘God, God, die ring….is het mogelijk…..wacht even, ik ben zo terug’.

Ze ging weg en kwam na enkele minuten weer terug met de halve ring die zij bij het opdelven van de geraamte had gevonden. Men voegde de twee stukken bij elkaar. Ze pasten volkomen. De ring was nu heel! En nu vertelde de Jonkvrouwe al datgene wat wij al weten.’ Wat het ook is, hoe onverklaarbaar het blijft’ sprak Valesco, ‘me dunkt dat onze edele gastvrouwe de ruïnes van de boskapel wel zal laten opgraven. De Vrouwe van Sleeburg gaf haar toestemming. De ruïne werd onderzocht, de rood marmeren grafzerk werd gevonden en weggerold. Toen kwam datgene wat door twee eeuwen heen bedekt was geweest aan het licht. In een loden kist lag, naast het gebeente en de overblijfselen van enkele voorwerpen, een doos met daarin een beschreven perkament.

Nadat men in huis was teruggekeerd werden de verbleekte en ouderwetse letters met veel moeite ontcijferd.

Afb. 17 perkamenten oorkonde

Het was een oorkonde met zegel en ondertekening, geschreven op St. Thomasdag de heilige apostel, in het jaar 14.. door de toenmalige pastoor van dit oord. De oorkonde was tevens voorzien van de handtekening van getuigen. Het geweten en de christenplicht van de pastoor, zorgden ervoor dat er een mededeling gedaan werd over datgene wat hij bij toeval te weten was gekomen. Zo zou er in latere jaren nog enig onrecht hersteld kunnen worden. In die oorkonde gaf de pastoor aan dat uit de mond van een ooggetuige het volgende opgetekend kon worden; Murillo, Spanjaard van geboorte, schildknaap van Ridder van Honnepel kon vertellen dat Onno van Honnepel de moordenaar was van zijn broer Gerard. Gerard had Otto in de strijd proberen te mijden daar het zijn broeder was. Maar spoedig was hij juist door zijn broeder Otto aangevallen. Otto beroofde hem van zijn wapenen en liet de weerloze Gerard over aan de woede van zijn krijgslieden. Toen die lieden nog leven in hem bespeurden, nagelden zij hem niet ver van het Slot met handen en voeten aan de grond. Daarna doorboorden zij hem met hun pijlen. In die toestand had hij ook nog de brand van zijn kasteel moeten aanzien.

Het was de trouwe knecht Murillo echter gelukt om het tweejarig jongetje van zijn Heer uit de vlammen te redden. Hij ging er mee naar de priester van wie huis en kapel, op enige afstand, midden in het bos stonden. Toen zich het onzekere gerucht verspreidde dat het kind van Gerard gered zou zijn, stelde Otto enige naspeuringen in. De pastoor gaf nu in zijn oorkonde aan; het leek me beter om dat kleine manneke niet langer in dit oord verborgen te houden. De handlangers van Otto snuffelden er te veel rond. Ik kwam overeen met de getrouwe Murillo dat hij de jongen mee zou nemen naar zijn land. Ik gaf hem het weinige geld dat ik bezat en daarbij ook een herkenningsteken van de edele afkomst van het kind. Ik gaf hem het zegel van zijn vader; die had ik als geheimschrijver reeds in mijn huis, en daarnaast gaf ik Murillo een halve ring ter beschikking. De halve ring die de echtgenote van Gerard al met zo’n droevig voorgevoel door midden had gebroken. De twee wezens die haar het dierbaarst waren droegen zo elk een halve ring op hun hart. In het holst van de nacht ging de schildknaap met het jongetje bij mij weg, na mij te hebben gezworen goed voor het kind te zullen zorgen en hem, als hij meerderjarig zou worden, deze bewijsstukken van zijn geboorte te geven.

Otto van Honnepel was intussen in het bezit van de goederen van zijn door hem verslagen broer. Hij heerste met grote strengheid over zijn vazallen. Die vazallen dachten dan ook met grote weemoed aan hun vroegere Heer terug. De rust en orde waren uit die streek verdwenen. En tijdens St. Thomas avonden vonden er verschrikkelijke voorvallen plaats. Zij leken op angstaanjagende voortekenen. Op deze manier openbaarde zich Gods’ toorn over de gruweldaden die hier gepleegd waren. Dat beangstigde iedereen en men wist het niet te duiden. Maar IK wist het maar al te goed doordat ik door die trouwe knecht op de hoogte werd gebracht. Ik heb vaak geprobeerd het geweten van de rover en broedermoordenaar tot rust te brengen door hem aan te geven dat hij de goederen aan de rechtmatige eigenaar moest afstaan. Maar daar wilde hij niet van horen. Ik heb niets anders kunnen doen voor de arme knaap die ergens in een vreemd land leeft, dan het gehele verhaal op dit perkament te zetten, getekend met mijn naam en die van nog drie andere getuigen. Zó luidde de oorkonde.

De legende sluit af met het huwelijk van Margaretha en Antonio Murillo, die nu weer zijn eigenlijke geslachtsnaam van ‘Honnepel’ aannam. Maar pas na de dood van de Weduwe Honnepel wilde hij zijn rechten op het Slot doen gelden.

‘Een mooie historie’ zei Koosje, toen ik mijn verhaal beëindigd had. ‘Maar wat moet het er hier vroeger toch anders hebben uitgezien dan nu’. ‘Je moet veronderstellen dat Gelderland in de Middeleeuwen bezaaid was met ridderkastelen en kloosters; een echte plaag voor de ingezetenen’ antwoordde Arend. Tja, het mooie Gelderland was ruimer voorzien van kloosters en kastelen dan welke provincie ook. Dat was duidelijk op te maken uit de vele herenhuizen en andere grote gebouwen.

Volgens Koosje was dat toch niet zo’n echte plaag. ‘t Is waar, later werden het vrijplaatsen voor ordeloosheid en willekeur. De zedenloosheid die in kloosters heerste was ongelooflijk groot. Maar oorspronkelijk waren het heilige toevluchtsoorden waar de mindere man in slechte tijden op kon rekenen. Daarna trad pas de verloedering in. Vroeger waren de kasteelbewoners echter goed in staat om hun leenheren en lijfeigenen te verdedigen. De pelgrim, de koopman, de geestelijke en de leek, zij waren veilig achter de muren van een Slot. Ridders en Heren van die tijd zagen het als hun plicht om de zwakkeren te verdedigen. Zij waren vaak als een vader voor hun volk. Edelvrouwen waren toen beschermengelen van de armen. Vaak ook waren zij genezers, onderwijzeressen en raadgeefsters voor hun volk. Ook de kloosters, voor zover zij zelf niet aan zedenbederf onderhevig waren, waren een toevluchtsoord tegen zedenloosheid en losbandigheid. De ziel die rust zocht, kon dat daar vinden.

De meeste kloosters van zowel nonnen als monniken waren even goed verzekerd als de kastelen. Machtige ridders hadden ze gesticht en zij beschermden hun kloosters goed. De jongeling die te zwak was voor de strijd of die niet in het bezit van een erfdeel was, vond er een toevluchtsoord en hij kon daar dan de wetenschappen beoefenen. In deze gebouwen werden de gewijde én de ongewijde geschriften bewaard, de schrijfkunst werd er beoefend en zo vormden zich daar de mannen die later aan school stonden. Zij lieten de dageraad van de Verlichting aanbreken! Ook moeten we de kloosterlijke barmhartigheid niet vergeten. Gastvrijheid, zo nodig in die onherbergzame tijden, was er altijd. De reiziger, die het aan geld ontbrak, kon daar brood en een slaapplaats vinden. Men kon vroeger “op de kloosters” reizen!

En terwijl wij zo spraken, had Bruintje ons met de huifkar over de Maasdijk naar Grave gebracht.

Afb. 18 de Huifkar van het neefje van Klikspaan

 

 

 

 

 

 

Uit: Nieuwe tochten vanuit mijn stoel
Oorspronkelijk auteur: Het neefje van Klikspaan
Hedendaagse bewerking: april 2019 door Coby Gerritsen-Stoots

 

 

 

Download hier het PDF-bestand “De Vloek van de Sleeburg